PFAS-uitstoot normaliseren is bestuurlijk falen
3 maart 2026
PFAS-uitstoot normaliseren is bestuurlijk falen
De Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland (NMZH) heeft op 2 maart 2026 advies uitgebracht over de gewijzigde vergunningaanvraag van Chemours Netherlands B.V. van 8 januari 2026. Het gaat om een aanvraag voor het wijzigen van de omgevingsvergunning voor directe en indirecte lozingen van PFAS op het oppervlaktewater. Na zorgvuldige bestudering van de aanvullende stukken komt NMZH tot de conclusie dat de kern van de aanvraag ongewijzigd is gebleven. Hoewel op onderdelen lagere emissies worden voorgesteld, ontbreekt een overtuigend en afdwingbaar perspectief op substantiële vermindering van de totale PFAS-belasting. Vergunningverlening in de huidige vorm zou daarom het risico in zich dragen dat bestaande emissies feitelijk worden bestendigd, terwijl het beleid voor zeer zorgwekkende stoffen juist is gericht op minimalisatie en uiteindelijke eliminatie.
In de nieuwe aanvraag worden voor enkele langeketen-PFAS lagere jaarvrachten gepresenteerd dan in eerdere situaties. Dat lijkt op het eerste gezicht een stap vooruit. Wanneer echter naar het geheel wordt gekeken, ontstaat een genuanceerder beeld. De reductie concentreert zich vooral op specifieke stoffen, terwijl de emissies van ultrakorte PFAS, zoals TFA en TFPrA, grotendeels in stand blijven. Juist deze ultrakorte PFAS zijn zeer mobiel en persistent. Ze verspreiden zich gemakkelijk via het watersysteem en zijn met gangbare zuiveringstechnieken moeilijk te verwijderen. Daardoor blijft de totale milieubelasting in belangrijke mate bestaan. Bovendien maken verbeterde analysetechnieken steeds meer PFAS zichtbaar, waardoor een verschuiving in emissies kan optreden zonder dat de totale belasting daadwerkelijk afneemt.
PFAS vormen een groep persistente, bioaccumulerende en in veel gevallen toxische stoffen die zich ophopen in water, bodem en voedselketen. Een beoordeling per afzonderlijke stof doet daarom geen recht aan de cumulatieve effecten van de totale PFAS-mix. Een benadering die primair uitgaat van verdunning miskent bovendien dat verdunning de hoeveelheid PFAS in het milieu niet vermindert, maar slechts verspreidt over een groter gebied. Voor stoffen die praktisch niet afbreken is dat fundamenteel problematisch.
De aangevraagde jaarvrachten zijn gebaseerd op recente meetgegevens die zijn verzameld nadat aanvullende zuiveringstechnieken in gebruik zijn genomen. Deze gegevens zijn deels geëxtrapoleerd naar jaarwaarden. Daarmee ontstaat een beeld dat is gebaseerd op een technisch geoptimaliseerde situatie. Het is echter onzeker of deze cijfers representatief zijn voor normale bedrijfsomstandigheden gedurende de gehele looptijd van de vergunning. Variaties in productie, onderhoud, storingen of neerslag kunnen tot afwijkende emissies leiden. Voor zeer zorgwekkende stoffen is het essentieel dat vergunningvoorschriften gebaseerd zijn op een robuuste en representatieve inschatting van de emissies onder alle realistische omstandigheden.
Een belangrijk onderdeel van de aanvraag is de immissietoets, die moet aantonen dat de lozingen niet leiden tot onaanvaardbare concentraties in het oppervlaktewater. Deze toets leunt sterk op modelberekeningen en aannames over verdunning. Naar het oordeel van NMZH is deze onderbouwing onvoldoende overtuigend om risico’s voor oppervlaktewater, drinkwaterwinning en volksgezondheid uit te sluiten. Modellen bevatten per definitie onzekerheden en gaan uit van gemiddelde concentraties. Voor persistente stoffen als PFAS zijn juist langdurige accumulatie en mogelijke piekbelastingen relevant. Daarnaast is onvoldoende inzichtelijk hoe de voorgestelde lozingen zich verhouden tot bestaande PFAS-verontreiniging in het stroomgebied. Zonder een helder beeld van de cumulatie van bronnen kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdere verslechtering uitblijft.
PFAS kwalificeren als zeer zorgwekkende stoffen. Dat brengt een wettelijke minimalisatieplicht met zich mee. Emissies moeten tot het laagst haalbare niveau worden teruggebracht en er moet voortdurend worden gezocht naar verdere reductie en vervanging. In het beleid voor zeer zorgwekkende stoffen is bronaanpak het uitgangspunt. Zuivering na productie kan een tijdelijke stap zijn, maar vormt geen structurele oplossing, zeker niet wanneer de stoffen niet worden vernietigd maar verplaatst naar andere afvalstromen. In de voorliggende aanvraag ligt de nadruk vooral op aanvullende zuiveringstechnieken. Een concreet, tijdgebonden en juridisch afdwingbaar traject richting substantiële reductie van de totale PFAS-emissies ontbreekt. Daarmee is onvoldoende geborgd dat de emissies daadwerkelijk structureel zullen afnemen.
Het voorzorgsbeginsel verlangt dat bij wetenschappelijke onzekerheid over ernstige of onomkeerbare schade terughoudend wordt omgegaan met vergunningverlening. Gezien de persistente aard van PFAS en de onzekerheden in de onderbouwing van de aanvraag is extra voorzichtigheid geboden. PFAS zijn inmiddels wijdverspreid aangetroffen in oppervlaktewater, bodem, voedsel en menselijk bloed. Extra emissies dragen bij aan een bestaande belasting die nauwelijks omkeerbaar is. Besluiten die vandaag worden genomen, werken generaties lang door in de leefomgeving.
Ook ten aanzien van monitoring en controleerbaarheid bestaan zorgen. Het voorgestelde monitoringsprogramma richt zich in belangrijke mate op de controle van de werking van zuiveringsinstallaties en minder op het volledig en representatief in beeld brengen van de daadwerkelijke emissies. De bemonsteringsfrequentie is op onderdelen beperkt, waardoor pieklozingen of afwijkende situaties mogelijk onvoldoende worden gedetecteerd. Onafhankelijke verificatie en transparantie richting omwonenden zijn niet overtuigend uitgewerkt. Daardoor is niet aangetoond dat naleving van de minimalisatieplicht effectief kan worden gecontroleerd en gehandhaafd.
Alles overziend concludeert NMZH dat de gewijzigde aanvraag onvoldoende zekerheid biedt dat de PFAS-emissies substantieel zullen afnemen en dat verdere accumulatie in het milieu wordt voorkomen. Vergunningverlening in de huidige vorm kan daarom op gespannen voet staan met de minimalisatieplicht voor zeer zorgwekkende stoffen, het voorzorgsbeginsel en de doelstellingen voor bescherming van waterkwaliteit en drinkwaterbronnen. NMZH adviseert om de vergunning in deze vorm niet te verlenen en van de aanvrager een bindend reductie- en uitfaseringsplan te verlangen dat primair inzet op bronaanpak en substitutie, duidelijke tijdspaden en reductiedoelen bevat en periodiek onafhankelijk wordt getoetst. Alleen een tijdelijke en strikt voorwaardelijke vergunning zou overwogen kunnen worden, mits emissies aantoonbaar en snel afnemen, de immissietoets onafhankelijk wordt geverifieerd, monitoring wordt geïntensiveerd en transparant wordt uitgevoerd en herziening verplicht is bij nieuwe inzichten.
Het voorkomen van verdere PFAS-verontreiniging van water, bodem en voedselketen is een urgent maatschappelijk belang. Een vergunning voor emissies van persistente stoffen is alleen verantwoord wanneer aantoonbaar sprake is van een duidelijke en afdwingbare route naar minimale en uiteindelijk nul-emissies. NMZH blijft zich inzetten voor een zorgvuldige en toekomstbestendige besluitvorming en is bereid het advies nader toe te lichten in overleg met de betrokken overheden.
Vragen over dit onderwerp? Neem contact op met:
Alex Ouwehand
Directeur