Is de rechtsstaat machteloos bij milieuschade? Over recht, tijd en traagheid in het PFAS-tijdperk

23 februari 2026

Is de rechtsstaat machteloos bij milieuschade?

Over recht, tijd en traagheid in het PFAS-tijdperk

Er knaagt iets in Nederland, maar ook in mij. Het gevoel dat we naar een probleem kijken dat zich elke dag verdiept, terwijl de instituties die ons zouden moeten beschermen vooral bezig lijken met uitleggen waarom ingrijpen nog niet kan. PFAS in het water, in de bodem, in voedsel, in ons bloed, het zijn geen abstracte risico’s meer maar meetbare realiteit. We vergiftigen ons iedere dag meer. Toch zegt de rechter dat de Staat juridisch gezien voldoende doet. En dus rijst de vraag die steeds vaker hardop wordt gesteld. Wat is een rechtsstaat waard als zij haar inwoners niet kan beschermen tegen een sluipende grootschalige vergiftiging?

Het ongemakkelijke antwoord is dat de rechtsstaat niet stuk is, maar ontworpen voor een andere wereld. Het recht houdt van duidelijke overtredingen, van concrete schade, van daders en slachtoffers die netjes tegenover elkaar staan in een rechtszaal. Het kan slecht overweg met problemen die zich langzaam opstapelen, zich verspreiden over generaties en nooit één duidelijke veroorzaker hebben. Overheden die zeggen veel maatregelen te nemen, maar dat niet doen en telkens uitstellen. PFAS is precies zo’n probleem. Het is de juridische nachtmerrie van de 21e eeuw: overal aanwezig, nauwelijks afbreekbaar, moeilijk terug te voeren en politiek explosief. Recent moest de provincie Zuid-Holland weer een opgelegde dwangsom intrekken.  Om gek van te worden. De wetten die ooit bedoeld waren om vervuiling te stoppen, blijken verrassend buigzaam zodra de economische consequenties van echte naleving in beeld komen. Zo’n keuze gaat altijd tren koste van de bevolking, zeker bij inwoners die dicht bij industrie wonen die PFAS stoffen uitstoten. Nog een paar jaar zo handelen en het gaat om heel Nederland tot in de verste uithoeken dringt PFAS door. Toch heeft de Staat in juridische zin voldoende gedaan. De juridische werkelijkheid laat ons land in vertwijfeling achter.

De Europese Kaderrichtlijn Water was ooit zo’n harde grens. In 2027 moest het water schoon zijn, punt. Geen politieke wens, maar een verplichting. Inmiddels wordt die deadline behandeld als een streefdatum die onderhandelbaar is, afhankelijk van uitzonderingen, herzieningen en nieuwe interpretaties. De rechter zei niet dat de deadline niet bestaat, maar dat het niet zeker is wanneer Nederland er precies aan moet voldoen. Dat klinkt technisch, maar het effect is vernietigend: zolang er twijfel is over de einddatum, verdwijnt de urgentie. Tijd wordt weer rekbaar, verantwoordelijkheid diffuus, actie uitgesteld. Ondertussen trekt het water zich niets aan van juridische nuance. Chemische stoffen verdwijnen niet omdat een procedure langer duurt. De zorgplicht in het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens en het voorzorgbeginsel stellen als het om PFAS gaat niet veel voor. Je hoeft alleen als Staat aan te geven dat je voor een Europees Verbod bent en de rechtbank neemt dat in juridisch zin over.

Juist daarom is het zo opvallend hoe het nieuwe coalitieakkoord van D66, VVD en CDA deze crisis benoemt én tegelijkertijd op afstand houdt. Er staat dat PFAS grote risico’s vormt voor gezondheid en leefomgeving en dat Nederland kartrekker wil zijn van een Europees verbod. Ook wordt gesproken over het aanscherpen van lozingsvergunningen en het onderzoeken van een mogelijk lozingsverbod. Het klinkt daadkrachtig, maar wie goed leest ziet vooral toekomstmuziek. Het zwaartepunt ligt opnieuw bij Europa, bij onderzoeken, bij het bezien van mogelijkheden. Concrete nationale maatregelen, aanscherping van wetgeving, harde deadlines of gereserveerde middelen ontbreken. Het akkoord erkent de dreiging, maar vertaalt die niet in directe actie. Daarmee bevestigt het onbedoeld het patroon dat we al jaren zien: erkenning zonder versnelling.

Wat hier zichtbaar wordt, is geen juridisch falen maar bestuurlijke traagheid die juridisch wordt gelegitimeerd. De overheid kan zeggen dat zij werkt aan beleid, aan Europese trajecten, aan toekomstige maatregelen. Zolang dat verhaal plausibel klinkt, kan een rechter moeilijk vaststellen dat de Staat zijn plicht verzaakt. De rechtsstaat beschermt burgers tegen willekeur, maar daardoor ook de overheid tegen de verplichting om sneller te handelen dan zij zelf wenselijk vindt. Dat is de paradox. Dezelfde regels die ons moeten beschermen, maken het moeilijk om bescherming af te dwingen wanneer de dreiging niet acuut maar chronisch is. Hoe ernstig maakt dan niet meer uit.

Het echte risico is niet dat de rechtsstaat verdwijnt, maar dat het vertrouwen erin langzaam oplost. Mensen zien dat normen worden opgerekt, deadlines verschuiven en verantwoordelijkheden rondzingen tussen ministeries, provincies, Europa en bedrijven. Ze lezen een coalitieakkoord dat de ernst erkent maar de urgentie niet vertaalt in concrete keuzes. Ze horen dat het ingewikkeld is, dat het tijd kost, dat het juridisch niet anders kan. Wat ze niet zien, is dat de vervuiling afneemt. Water herstelt traag, ecosystemen nog trager, en menselijke gezondheid het traagst van allemaal. Elke verloren jaar vergroot de rekening die later moet worden betaald, financieel maar vooral maatschappelijk.

We hebben dit eerder meegemaakt. Eerst wordt tijd gekocht, dan wordt de schade zichtbaar, daarna volgt een abrupte correctie via rechter of Europa. Stikstof en klimaat zijn geen uitzonderingen maar patronen. Het systeem reageert pas wanneer de realiteit niet langer te negeren is. Dat is geen complot, maar de uitkomst van een politieke cultuur die moeilijke keuzes uitstelt zolang dat nog kan. De rechtsstaat kan dat niet voorkomen, omdat zij geen beleid maakt maar alleen grenzen bewaakt. Als die grenzen rekbaar worden gemaakt, beweegt het recht mee. Een reflex van de wetgever op eerder verloren rechtszaken.

De vraag is dus niet of de rechtsstaat failliet is, maar of de democratie bereid is de grenzen weer serieus te nemen voordat de werkelijkheid dat afdwingt. Want uiteindelijk is het niet de rechter die bepaalt of het water schoon wordt, maar de samenleving die besluit hoeveel vervuiling zij accepteert in ruil voor economische voordelen. Zolang die afweging impliciet blijft, zal uitstel de dominante reflex zijn. Tot het moment waarop uitstel zelf onbetaalbaar wordt. Wat kunnen wij dan  nog van het landsbestuur verwachten als dit de dominante reflex is. De rechtbank zegend dit dan gewoon juridisch af. Misschien is dat de ongemakkelijkste conclusie van allemaal. De rechtsstaat kan ons beschermen tegen machtsmisbruik, maar niet tegen collectieve traagheid en een collectieve vergiftiging in slow motion. Als we wachten tot de crisis juridisch onontkoombaar is, zijn we zeker te laat. Water heeft geen stem, toekomstige generaties ook niet. De vraag is of wij die stem willen zijn voordat de rekening bij hen terechtkomt.

Wil je zelf in actie komen tegen PFAS verontreiniging in je eigen leefomgeving en woon je in Noord- en Zuid-Holland, dan kan onze voucherregeling je misschien helpen met een bijdrage. Kijk voor meer informatie: PFAS ‘stop het stille gif’ – Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland

Vragen over dit onderwerp? Neem contact op met: