Het Groene Hart als energielandschap: onvermijdelijk of verkeerde keuze?
16 april 2026
Het Groene Hart als energielandschap: onvermijdelijk of verkeerde keuze?
De vraag of er windmolens moeten komen in het Groene Hart is de afgelopen maanden verschoven van een principiële naar een ongemakkelijke, maar concretere vraag: waar precies dan? Met de recente consultatie van de provincie Zuid-Holland over nieuwe windlocaties, op basis van de Omgevingseffectrapportage (OER), is het debat een nieuwe fase ingegaan. Niet langer gaat het over óf windenergie nodig is. Die vraag is in het licht van klimaatdoelen, elektrificatie en netcongestie feitelijk al beantwoord. Het gaat nu over de verdeling van ruimte, over landschap, en uiteindelijk over wie de lasten draagt van de energietransitie.
De energietransitie is immers geen ideologisch project, maar een optelsom van harde noodzaken. Klimaatverandering dwingt tot snelle reductie van broeikasgassen, maar minstens zo bepalend zijn de groeiende afhankelijkheid van fossiele grondstoffen, geopolitieke kwetsbaarheid en de grenzen van het huidige energiesysteem. In een provincie als Zuid-Holland, met z’n energie-intensieve industrie, een dichtbebouwde omgeving en een overbelast elektriciteitsnet, komen al die lijnen samen. Elektrificatie van mobiliteit, warmte en productieprocessen vergroot de vraag naar stroom juist op momenten dat het aanbod onzeker is. Daarmee wordt de transitie ook een vraagstuk van betrouwbaarheid, betaalbaarheid en ruimtelijke ordening. In Zuid-Holland krijgt die noodzaak een extra lading. Het is de dichtstbevolkte provincie van Nederland, met 3,9 miljoen inwoners en een uitzonderlijke concentratie van functies. De ruimte is schaars en de druk op natuur en landschap is permanent hoog. Gebieden als het Groene Hart en Midden-Delfland zijn geen restgebieden, maar juist zorgvuldig behouden tegenhangers van verstedelijking – essentieel voor biodiversiteit, recreatie en leefomgevingskwaliteit. Tegelijkertijd stapelen de opgaven zich hier sneller dan waar ook: woningbouw, mobiliteit, landbouwtransitie én energie vragen allemaal om ruimte. Dat maakt de energietransitie onvermijdelijk tot een ruimtelijke keuze met zichtbare gevolgen.
En precies daar begint het te wringen. Het Groene Hart is nooit leeg geweest. Het is een cultuurlandschap met openheid, lange lijnen en een kwetsbare balans tussen landbouw, natuur, recreatie met belangrijke waarden. Windturbines van 200 tot 240 meter tiphoogte passen daar niet vanzelfsprekend in. Ze veranderen niet alleen het uitzicht, maar ook de beleving van ruimte en stilte. Tegelijkertijd is het idee dat dit landschap volledig buiten schot kan blijven steeds moeilijker vol te houden. Wie het Groene Hart ontziet, schuift de opgave impliciet door naar andere gebieden, zonder dat die afweging altijd expliciet wordt gemaakt.
Daar komt bij dat de discussie vaak wordt versimpeld. “Zet windmolens maar op zee” is een veelgehoorde reactie. Vooral “niet hier” wordt dan eigenlijk bedoeld. Maar een toekomstbestendig energiesysteem vraagt meer dan alleen om grootschalige opwek op afstand. Het gaat om de balans in tijd en plaats, Wind op zee, wind op land, zon op daken en in het veld, opslag en besparing moeten elkaar daarbij aanvullen. Juist in een provincie waar vraag en aanbod dicht bij elkaar liggen, is lokale opwek van grote waarde. Wie alles op zee wil oplossen, maakt het systeem uiteindelijk kwetsbaarder, duurder en minder efficiënt.
Wat in dit debat opvallend onderbelicht blijft, is dat de druk op het landschap mede wordt veroorzaakt door het achterblijven van energiebesparing en het benutten van bestaande bebouwing. In een dichtbebouwde provincie als Zuid-Holland ligt er een enorme potentie op daken van woningen, bedrijven en publieke gebouwen. Toch blijft de uitrol daarvan achter bij wat technisch en ruimtelijk mogelijk is. Beleidsmatig wordt sterk ingezet op zon op dak en energiebesparing, maar in de uitvoering hapert het. Regelgeving, netbeperkingen, financiering en gebrek aan regie zorgen ervoor dat kansen onnodig lang blijven liggen. Dat voedt het beeld dat duurzame energie vooral in de open ruimte moet worden opgewekt, terwijl een aanzienlijk deel van de opgave juist zowel binnenstedelijk als in het landelijk gebied kan en moet worden ingevuld. Wie serieus werk wil maken van draagvlak, kan zich niet permitteren deze ‘onzichtbare’ ruimte onbenut te laten.
Tegelijkertijd staat de overheid in dit dossier te vaak tegenover haar eigen inwoners. De ontwikkeling van duurzame energie is verworden tot een technocratisch proces, waarin kaarten en modellen leidend zijn en de leefwereld van mensen pas laat in beeld komt. Communicatie met de eigen bevolking is voor de overheid ogenschijnlijk erg moeilijk. Op papier is participatie netjes geregeld, maar in de praktijk voelen veel bewoners zich onvoldoende gehoord en betrokken. Locaties worden eerst ‘kansrijk’ verklaard, waarna het gesprek volgt. Een volgorde die wantrouwen voedt en het debat gelijk verhardt en juridiseerd. Een goed gesprek is zo niet meer mogelijk. Dat is des te problematischer in een provincie met 3,9 miljoen inwoners en evenzoveel opvattingen over wat een goede leefomgeving is. Draagvlak ontstaat hier niet vanzelf. Het vraagt om een eerlijke verdeling van lusten en lasten, om lokaal eigendom en zeggenschap, en om transparantie over de keuzes die worden gemaakt. Maar bovenal vraagt het om een overheid die niet zendt, maar samenwerkt en die niet alleen rekent, maar ook luistert.
Daarbij moet duurzame energieopwek nadrukkelijk worden verbonden met duurzame ontwikkeling. Het gaat niet alleen om waar we energie opwekken, maar ook om hoe dat gebeurt en wat we daarbij willen beschermen. Natuur, landschap, gezondheid en leefomgevingskwaliteit zijn geen restposten, maar volwaardige waarden in de afweging. Dat betekent ook dat niet alles overal kan, en dat sommige gebieden bewust moeten worden ontzien. Om die keuzes goed te kunnen maken, is het cruciaal om feiten en fictie van elkaar te scheiden. Het debat over windenergie wordt regelmatig vertroebeld door aannames en misverstanden, waardoor het zicht op reële effecten en alternatieven vertroebelt. Juist daarom is transparantie nodig. Over impact, over onzekerheden en over de consequenties van verschillende keuzes. Alleen met een gedeeld beeld van de feiten kan een eerlijk gesprek ontstaan over wat wenselijk is.
De provincie probeert met het OER een eerste stap te zetten door systematisch te kijken naar geschikte locaties. Maar het echte werk begint nu pas. De komende periode verschuift het debat van kaarten naar concrete keuzes en daarmee ook naar de vraag hoe zorgvuldig die keuzes worden gemaakt. Het Groene Hart als energielandschap is geen vanzelfsprekendheid. Maar het alternatief doen alsof de energietransitie elders wel landt is dat evenmin. De uitdaging is om een weg te vinden waarin energieopwek, landschap, natuurwaarden en leefomgevingskwaliteit niet tegenover elkaar staan, maar in samenhang worden ontwikkeld. Dat vraagt uiteindelijk om meer dan goede plannen of slimme kaarten. Het vraagt iets van ons allemaal als samenleving. De energietransitie is geen optelsom van individuele projecten, maar een gezamenlijke opgave waarin we opnieuw moeten bepalen hoe we ruimte, lusten en lasten verdelen. Dat begint met het erkennen van het ongemak: niemand wil een ingrijpende verandering in zijn directe leefomgeving, maar iedereen profiteert van een betrouwbaar en duurzaam energiesysteem. De balans vinden vraagt om verder te kijken dan het hier en nu, om het verbinden van korte- en langetermijnbelangen, en om het serieus nemen van zorgen zonder het grotere geheel uit het oog te verliezen. Dat betekent ook dat we feiten en fictie scherper van elkaar moeten scheiden, zodat het gesprek niet wordt gedomineerd door angst of versimpeling, maar door een gedeeld begrip van de werkelijkheid. Alleen zo kan het noodzakelijke draagvlak ontstaan. Niet omdat iedereen het eens is, maar omdat keuzes als eerlijk en zorgvuldig worden ervaren. Uiteindelijk zullen we niet iedereen tevreden kunnen stellen, maar we kunnen wel zorgen dat iedereen zich gehoord weet en dat de afwegingen navolgbaar zijn.
Misschien is dat wel de kern van het vraagstuk: niet óf het Groene Hart verandert, maar hoe en tegen welke voorwaarden.
Vragen over dit onderwerp? Neem contact op met:
Alex Ouwehand
Adviseur